Er was een tijd waarin ik dacht dat mijn Schaduw het zwaarste was om te dragen. De twijfel of ik wel genoeg ben. De angst om afgewezen te worden. Dat ongemakkelijke zwijgen zodra een conflict de kamer binnenwandelt. Ik zag die dingen als gebreken, als donkere vertrekken in mezelf waar ik liever niet te lang verbleef.
Maar langzaam begon iets anders zich te tonen, eerst aarzelend, bijna onmerkbaar. Ik zag het met ogen die moesten wennen aan schemerlicht. Het was niet mijn Schaduw die mij werkelijk angst aanjoeg. Het was mijn Licht.
Want schaduw beheerst de kunst van het verdwijnen. Ze weet hoe ze zich moet terugtrekken in de plooien van een leven. Licht doet dat niet. Licht vraagt aanwezigheid. Het vraagt dat ik zichtbaar word zonder de bescherming van een rol, een verhaal, een zorgvuldig gedragen masker. Dat ik ophoud mezelf kleiner te maken uit ongemak voor het oordeel van anderen.
Misschien klinkt dat als een spirituele gedachte, maar ik ervaar het vooral lichamelijk. In de kleine bewegingen waarmee ik mezelf terugroep nog voor ik werkelijk verschenen ben. Zachter spreken dan nodig. Een halve stap achteruit zetten terwijl iets in mij juist naar voren wil. Alsof een oud ritueel nog steeds door mijn lichaam trekt, een ceremonie waarvan de betekenis verloren ging, maar waarvan het gebaar is gebleven.
Misschien omdat ook mijn Schaduw ooit bescherming bood. Niet omdat ze gezond was, maar omdat ze vertrouwd aanvoelde. Zoals een verweerde mantel die jarenlang regen heeft tegengehouden. Alsof ze mij door een vroegere winter heeft gedragen, toen het licht nog te scherp viel op wat kwetsbaar was.
Klein blijven. Twijfelen. Mezelf dimmen voor iemand anders het kon doen. Teruggrijpen naar gewoonten die verdoven in plaats van voeden. Het zijn oude bewegingen, ingesleten als paden door een bos waar ik te vaak ben teruggekeerd. Mijn lichaam kent ze beter dan mijn denken. Ze vragen niets nieuws van mij, alleen gehoorzaamheid aan iets ouds.
Het echte Licht voelt daarentegen soms onveilig. Niet het zachte, romantische licht uit boeken en meditaties, maar een helderheid die niets verbergt. Een Licht dat vraagt dat ik ruimte inneem. Dat ik niet langer wegkruip achter twijfel of aanpassing. Dat ik spreek vanuit iets wat ouder is dan angst. Alsof ik zonder schild een open vlakte moet oversteken, vertrouwend op een kompas dat ik niet altijd begrijp, maar wel herken.
Verandering is niet alleen bevrijdend. Ze ontregelt ook. Groei klinkt prachtig tot ze iets van me vraagt. Tot ik afscheid moet nemen van een versie van mezelf die me jarenlang beschermd heeft, zelfs wanneer die bescherming gebouwd was uit angst en voorzichtigheid.
En eerlijk: er leeft nog altijd iets in mij dat daarvoor terugdeinst. Soms is het eenvoudiger een blinde vlek blind te laten. Niet omdat ik niet wil groeien, maar omdat een deel van mij geleerd heeft dat groei ook verlies betekent. Zodra ik werkelijk zie waar ik mezelf verloochen, kan ik niet meer terug naar de slaap van het niet-weten. Bewustzijn verandert de grond onder je voeten.
Is dat waarom innerlijk werk niet altijd licht aanvoelt, ondanks wat men er graag van maakt? Soms lijkt het minder op zweven en meer op afdalen. Alsof ik met een kleine vlam in de hand een grot binnenga waarvan ik de diepte niet ken.
Ik herken het in mezelf: iets belangrijks uitstellen net wanneer het ertoe doet. Terugvallen in oude gewoonten - vermijden, pleasen, verdoven. Afhaken zodra iets begint te lukken. Mezelf vertellen dat iets “toch niets voor mij is” precies op het moment dat het zich opent. Kiezen voor veiligheid en bekendheid, zelfs wanneer die mij kleiner maken.
Misschien is het geen gebrek aan wilskracht, maar een oud beschermingsmechanisme dat me niet meer dient. Een instinct dat fluistert: blijf waar het vertrouwd is, blijf waar je weet hoe je moet overleven. Alsof ergens diep in mij nog een oudere wereld spreekt, een wereld waarin overleven belangrijker was dan groeien, en verdwijnen veiliger dan zichtbaar worden.
Niet bewust. Niet kwaadaardig. Maar wel een vorm van zelfsabotage. Een oude bondgenoot die niet begrijpt dat de oorlog voorbij is.
In sommige sjamanistische tradities spreekt men over het terughalen van verloren zielsdelen. Maar steeds vaker denk ik dat het ook gaat over het toelaten van delen die nooit werkelijk verdwenen zijn. Delen die zich verborgen hielden, omdat hun kracht ooit te groot was, te helder misschien voor de tijd waarin ze moesten leven. Alsof ze ergens onderweg zijn gaan wachten, zwijgend, tot ik eindelijk bereid was hen aan te kijken.
Misschien is dat de echte uitdaging.
Niet leren omgaan met de duisternis.
Maar durven blijven staan in het licht.
Reactie plaatsen
Reacties