Joke Hagers
Mijn weg
Alles begon met Kazan.
Ik deelde mijn eerste twaalf levensjaren met hem.
Hij deelde zijn hele leven met mij.
Later kwam Kamiel.
Ik worstelde met mens-zijn. Hij op zijn manier met honds-zijn. Ergens in die ontmoeting begon iets wat ik toen nog niet kon benoemen: mijn nieuwsgierigheid naar wat er tussen mens en dier kan ontstaan wanneer we elkaar niet alleen proberen te begrijpen, maar werkelijk ontmoeten.
Twee draden begonnen zich steeds meer met elkaar te verweven: mijn fascinatie voor de menselijke psyche en mijn verbondenheid met honden en de natuurlijke wereld.
Ik studeerde af als klinisch orthopedagoog en vond mijn professionele weg in de psychiatrie. Daar werkte ik met mensen bij wie het leven vaak complexer was dan één diagnose, één verklaring of één behandelmodel kon omvatten.
Ook de honden liepen mee.
In het CAT-project in Zelzate werkte ik samen met forensisch psychiatrische patiënten aan de resocialisatie van meer dan veertig asielhonden. We dachten dat wij de honden hielpen.
Soms vroeg ik me af wie daar eigenlijk wie hielp.
Die vraag is me altijd bijgebleven.
Doorheen de jaren verdiepte ik me verder in dierondersteunde therapie, systemisch werk, lichaamsgericht en traumabewust werken en manieren om niet alleen te luisteren naar het verhaal van iemand, maar ook naar wat het lichaam, het zenuwstelsel en de relatie laten zien.
Niet om steeds meer technieken te verzamelen.
Wel omdat ik bleef zoeken naar manieren van werken waarin we niet telkens een deel van de mens — of van het dier — hoeven achter te laten.
De honden die meeliepen
Honden blijven als een rode draad door mijn leven lopen.
Ghengis liep met me door de Mongoolse steppe.
Amon gidste me terug naar huis.
Nazca trok me uit mijn comfortzone tijdens een lange tocht door Oost-Europa.
Thor bracht kracht en beweging tijdens sledetochten in Canada.
En Yukon blijft me leren waar het uiteindelijk om gaat.
Ze waren nooit alleen honden die met mij meegingen.
Ieder van hen veranderde iets aan de manier waarop ik kijk, werk en in relatie sta.
En misschien ligt daar ook de oorsprong van hoe ik vandaag naar dierondersteunde therapie kijk: niet vanuit de vraag wat een hond voor een mens kan dóén, maar vanuit wat er mogelijk wordt wanneer mens en dier elkaar werkelijk mogen ontmoeten.
Wat onderweg veranderde
Lange tijd zocht ik vooral naar begrijpen. Naar verbanden, verklaringen en manieren om beweging mogelijk te maken.
Dat doe ik nog steeds. Ik hou van denken, zoeken en verbanden leggen.
Maar doorheen de jaren leerde ik ook iets anders: dat niet alles eerst begrepen hoeft te worden.
Soms weet het lichaam iets eerder dan het hoofd. Soms maakt een hond zichtbaar wat in woorden nog niet bereikbaar is. Soms ontstaat beweging juist wanneer we even ophouden met zoeken naar de oplossing.
Mijn werk verschoof daardoor steeds meer van weten wat nodig is naar nieuwsgierig worden naar wat zich hier, tussen ons, aandient.
Niet minder professioneel. Wel minder overtuigd dat professionaliteit betekent dat ik het antwoord moet kennen.
Hoe ik vandaag werk
Vandaag werk ik op het kruispunt van dierondersteunde therapie, lichaamsgericht en systemisch werken en mijn jarenlange ervaring binnen de psychiatrie.
Ik werk graag ervaringsgericht. Minder praten óver wat er gebeurt en, wanneer dat mogelijk is, samen onderzoeken wat er in het moment voelbaar en zichtbaar wordt.
Honden kunnen daarin deelnemen, maar hoeven niets te presteren. Hun grenzen, keuzes en welzijn maken evenzeer deel uit van het proces.
Ik ben geïnteresseerd in wat er gebeurt tussen mensen en dieren, tussen lichaam en verhaal, tussen vasthouden en bewegen — en in die kleine momenten waarop plots iets anders mogelijk wordt.