Er leven meerdere reizigers in mij. Alsof er een hele stam in mij woont. Ze spreken allemaal met dezelfde stem. Misschien is dat juist waarom het zo moeilijk is om te weten naar wie ik luister.
In sjamanistische tradities wordt gezegd dat een mens niet uit één stem bestaat, maar uit een kring van zielsdelen die allemaal iets proberen te beschermen. Ik weet niet of dat letterlijk waar is. Maar wanneer ik eerlijk naar mezelf kijk, herken ik die kring.
Er is een reiziger die vroeg opstaat. Hij schrijft voordat de dag begint. Hij beweegt, mediteert, zoekt de stilte op. Hij leeft dichter bij zichzelf. Hij lijkt te weten waar hij naartoe gaat.
Ik geloof dat hij bestaat.
Maar hij reist niet alleen.
Er is ook een andere reiziger. Degene die nog wat met zijn agenda schuift en zijn vertrek uitstelt. Morgen is een betere dag. Eerst wat meer rust. Eerst wat meer helderheid. Eerst begrijpen wat er eigenlijk begrepen moet worden. Hij verplaatst het begin steeds een beetje verder, alsof de toekomst vriendelijker zal zijn dan vandaag.
Ook hij reist met mij mee.
Misschien is dat wel het moeilijkste: niet dat er verschillende delen in mij leven, maar dat ze elkaar zonder aankondiging afwisselen. De ene dag zit de ene reiziger aan het vuur, de volgende dag neemt een andere plaats.
Lang dacht ik dat ik uitstelde omdat ik tijd tekortkwam.
Dat is een keurige leugen.
De waarheid schuurt ongemakkelijker aan de binnenkant van mijn brein.
Uitstellen beschermt me.
Zolang ik niet begin, blijft mijn verlangen onaangeraakt. Meditatie hoeft nog geen ontmoeting met mijn onrust te worden. Schrijven hoeft nog niet te bestaan uit schrappen, twijfelen en opnieuw beginnen. Ik hoef nog niet te ontdekken dat ook degene die wél doet wat hij zich voorneemt gewoon dezelfde mens blijft. Met dezelfde gevoeligheid. Dezelfde beperkingen. Dezelfde onzekerheid.
Misschien beschermt mijn weerstand me niet tegen de inspanning zelf, maar tegen wat zichtbaar wordt wanneer ik stilval. Tegen teleurstelling. Tegen kwetsbaarheid. Tegen het besef dat er niets spectaculairs gebeurt wanneer ik eindelijk begin.
Alleen het gewone leven.
Met alles wat daarbij hoort.
Soms merk ik het eerder in mijn lichaam dan in mijn gedachten. Mijn borst wordt strak. Mijn buik trekt samen. Ik begin van alles te doen en op te ruimen. Of ik word vreemd genoeg juist slaperig.
Alsof er een oude wachter in mij zegt dat het nog geen tijd is om verder te gaan.
Niet om mij tegen te houden, maar om te vragen of ik werkelijk naar binnen wil.
Ik probeer hem niet langer meteen weg te sturen.
Want niet iedere wachter heeft ongelijk.
Sommigen bewaken een wonde die ooit bescherming nodig had. Anderen zijn vergeten dat de reis al lang begonnen is.
Dat onderscheid vind ik moeilijker dan discipline.
Misschien vlucht ik uiteindelijk niet voor de inspanning.
Misschien vlucht ik voor het moment waarop het beeld dat ik zorgvuldig van mezelf heb opgebouwd niet langer overeind blijft.
Want zodra ik werkelijk begin, verdwijnt de illusie dat er ergens een betere versie van mij wacht. Iemand die vanzelf rustig is. Die niet twijfelt. Die moeiteloos leeft vanuit wijsheid en evenwicht.
Die mens heb ik nog nooit ontmoet.
Wel degene met zijn goede dagen en zijn aarzelingen. Met zijn moed en zijn uitstel. Met zijn verlangen om aanwezig te zijn en zijn neiging om daarvan weg te lopen.
Misschien is dit geen tussenfase.
Misschien is dit mijn leven.
En elke dag die ik weggeef aan de gedachte dat ik later zal beginnen, verdwijnt geruisloos uit mijn handen.
Ik dacht lang dat ik meer discipline nodig had.
Nu vermoed ik dat ik vooral een goede gids mag zijn.
Niet voor anderen.
Voor alles wat in mij leeft.
Misschien vraagt het leven niet dat ik de beste versie van mezelf word.
Misschien vraagt het alleen dat ik de cirkel niet meer verlaat.
Dat ik ga zitten bij het vuur.
En aanwezig blijf terwijl al mijn innerlijke reizigers één voor één thuiskomen.
Reactie plaatsen
Reacties