Een sneeuwhond en mijn innerlijke kilte

Gepubliceerd op 4 mei 2026 om 11:26

Hij stond daar. Een Siberische husky - zo’n hond die lijkt alsof hij uit sneeuw en wind is geboetseerd- met ogen die tegelijk ver weg en heel aanwezig waren. IJsblauw, ja, maar niet kil. Eerder helder. Open. Alsof er niets achter zat dat verstopt moest worden. Alsof hij de kou kende, maar er niet door bepaald werd.

Het is zo’n dier dat leeft waar anderen afhaken. Niet door zich te verzetten, maar door zich aan te passen. Door gewoon mee te bewegen met wat er is. Adem, ritme, uithouding. Stil, maar oersterk. Ik merkte die kracht al voordat hij ook maar een stap zette.

Ik was gewoon onderweg. Had geen reden om te stoppen. Toch bleef ik staan.

Hij kwam niet meteen. Hij deed helemaal niets. Hij keek alleen. En ik keek terug, een beetje onwennig, alsof er iets verwacht werd maar niemand wist wat. Zijn adem was even zichtbaar in de lucht. Op een of andere manier liet ik mijn schouders zakken.

Toen kwam hij wel.

Niet opdringerig, niet vragend. Meer alsof hij er gewoon al bij hoorde. Zijn kop tegen mijn hand — precies zwaar genoeg om aanwezig te zijn. Warm, onder die dikke vacht. Rustig. Geen betekenis, geen uitleg. Gewoon dat moment.

En ergens daar, zonder dat er iets gebeurde, gebeurde er toch iets.

Er is een plek in mij die al lang als permafrost aanvoelt. Niet vijandig, niet boos — gewoon dichtgevroren. Alsof voelen ooit te veel werd en er toen een knop is omgezet. Ik kom er eigenlijk nooit. En als ik het probeer, doe ik dat via mijn hoofd. Denken, verklaren, eromheen draaien. Maar dat werkt daar niet. Hoe meer ik probeer, hoe verder die plek weg lijkt.

En toch — op een of andere manier raakte de husky mijn innerlijke kilte aan.

Misschien is dat wat hem zo bijzonder maakt. Dat hij niet breekt waar ik dat misschien wel zou doen. Dat hij gewoon blijft, in wat er is. Iets in mij herkent dat. Of wil dat herkennen.

Ik begon kleine dingen te voelen. Zijn adem. De druk van zijn kop. Mijn hand die eerst wat aarzelde en dan vanzelf begon te strelen. Alsof mijn lichaam iets al wist, zonder dat ik het moest begrijpen. Die koude plek in mij veranderde niet ineens. Maar er kwam iets zachts overheen. Heel dun, bijna niets — maar anders dan daarvoor.

Geen grote emotie. Geen doorbraak. Eerder alsof de scherpe randen wat afgerond werden. Alsof er ergens een kier zat waar eerst alles dicht was.

Hij bleef even. Ging weer weg.

Alsof dat genoeg was.

En misschien was het dat ook. Niet omdat alles ineens anders is, maar omdat er iets open is gegaan zonder dat ik het hoefde te forceren. Die plek in mij is er nog steeds. Stil, voorzichtig. Maar niet meer helemaal gesloten.

Alsof ze nu weet dat er iets doorheen kan.

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.