Eenzaamheid zat op het uiterste puntje van de zetel. Niet omdat de zetel klein was. Integendeel. Er konden gemakkelijk zes mensen op.
Dat was net het probleem.
Ze had haar jas nog aan, hoewel het binnen warm genoeg was. Een oude donkerblauwe jas, met van die diepe zakken waarin je handen en sleutels kwijt kunt. En blijkbaar ook halve levens en complete verlangens, als je maar hard genoeg je best doet.
Verdriet kwam binnen zonder te kloppen.
Hij droeg gele sokken, eentje binnenstebuiten, en had een plastic zak met mandarijnen bij zich.
“Je zit weer op het randje.”
“Ik zit graag op het randje.”
“Je valt er bijna af.”
“Dan val ik tenminste niemand lastig.”
Verdriet rolde met zijn ogen.
“Daar gaan we weer.”
“Waar gaan we weer?”
“Jij. Met je hele ‘ik heb niemand nodig’-gedoe.”
Eenzaamheid trok haar jas wat dichter.
“Ik héb ook niemand nodig.”
“Je hebt drie keer gekeken of ik al kwam.”
“Ik keek naar buiten.”
“Je woont op de vierde verdieping.”
“Er zijn vogels.”
“Het was donker.”
“Nachtvogels.”
Verdriet gooide een mandarijn naar haar. Ze ving hem, hield hem even vast en legde hem toen naast zich neer.
“Niet beginnen,” zei ze.
“Waarmee?”
“Met zorgen.”
“Het is een mandarijn.”
“Zo begint het.”
Verdriet plofte naast haar neer. Veel te dichtbij. Daar was hij goed in. Ergens gaan zitten alsof afstand iets was wat iemand ooit per ongeluk had uitgevonden.
Eenzaamheid schoof een stukje op.
Verdriet schoof mee.
“Hou op.”
“Waarmee?”
“Met zo dichtbij zijn.”
Een tijdje zeiden ze niets.
Verdriet begon een mandarijn te pellen. Het sap spoot recht in zijn oog.
“Godver.”
Eenzaamheid lachte.
Heel even.
Daarna keek ze bijna geschrokken, alsof haar lijf iets had gedaan waar ze zelf nog geen toestemming voor had gegeven.
Verdriet zag het, maar zei niets. Daar was hij trouwens beter in dan mensen dachten. Mensen denken bij Verdriet nogal snel aan veel lawaai. Huilen. Jammeren. Onder dekens verdwijnen. Dramatisch uit ramen staren wanneer het regent. Maar meestal doet hij zijn echte werk in stilte. Hij gaat zitten bij wat verloren is. En hij blijft daar.
“Jij bent trouwens geen haar beter,” zei Eenzaamheid.
Verdriet keek op.
“Pardon?”
“Jij met je theatrale gedoe.”
“Ik ben een gevoelsmens.”
“Je bent een dramaqueen.”
“Ik ben diep.”
“Je ligt soms drie dagen onder een deken.”
“Verwerking.”
“Met chips.”
“Ook verwerking.”
Eenzaamheid grinnikte.
“En als iemand vraagt wat er is, zeg jij ook ‘niks’.”
Verdriet stopte met kauwen.
“Dat is anders.”
“Hoezo?”
“Omdat…”
Hij keek naar zijn mandarijn.
“…als ik vertel wat er is, wordt het echt.”
Eenzaamheid keek hem aan.
En daar zat hij ineens. Niet die vent met zijn gele sokken. Niet de dramaqueen. Gewoon iets ouds. Iets zachts ook. Iets wat ergens onderweg geleerd had dat verlies makkelijker te dragen was als niemand eraan kwam.
“Ah,” zei ze.
“Niet ‘ah’ zeggen.”
“Je verstopt je.”
“Nee.”
“Jawel.”
“Ik doseer.”
“Je verstopt je maniakaal.”
Verdriet zuchtte.
“En jij dan?”
“Ik bescherm mezelf.”
“Tegen wat?”
“Mensen.”
“Waarom?”
“Omdat ik naar hen verlang.”
Verdriet keek op.
Eenzaamheid verstijfde.
“Dat heb ik niet gezegd.”
“Jawel.”
“Dat was de jas.”
“Je jas praat?”
“Bij spanning.”
Verdriet glimlachte.
Het werd weer stil.
“Het is eigenlijk belachelijk,” zei hij na een tijdje.
“Wat?”
“Dat mensen ons altijd weg willen.”
Eenzaamheid knikte.
“Alsof wij het probleem zijn.”
“Terwijl ik alleen maar kom opdagen als iets ertoe deed.”
“En ik als iemand verlangt naar nabijheid.”
Verdriet keek naar haar.
“Dus eigenlijk…”
“Niet doen.”
“…zijn wij…”
“Verdriet.”
“…een soort…”
“Ik waarschuw je.”
“…liefdesbrieven?”
Eenzaamheid keek hem aan alsof ze overwoog hem met een mandarijn te bekogelen.
“Dat is echt het walgelijkste wat je ooit gezegd hebt.”
“Maar het klopt.”
“Helaas.”
Verdriet glimlachte.
“Jij zegt eigenlijk: ergens in mij zit een plek die iemand nodig heeft.”
“En jij zegt: er was iets dat ik liefhad.”
Ze keken naar de ruimte tussen hen in. Veel was daar ondertussen niet meer van over.
“En wat is dan de bedoeling?” vroeg Eenzaamheid.
“Geen idee.”
“Fantastisch. Zeer behulpzaam.”
“Misschien hoeven mensen niet altijd zoveel mét ons.”
“Pardon?”
“Misschien hoeven ze ons niet meteen te fixen.”
Eenzaamheid trok een vies gezicht.
“En dan?”
“Ons voelen.”
“Iew.”
“Even blijven.”
“Erger.”
“Zeggen dat we er zijn.”
“Absoluut niet.”
“Misschien iemand laten komen.”
Eenzaamheid stond recht.
“Ik ga naar huis.”
“Je bent thuis.”
“Dan ga ik ergens anders heen.”
Verdriet begon te lachen.
Eenzaamheid bleef staan, haar handen diep in haar jaszakken.
“En als die ander niet komt?” vroeg ze.
Verdriet stopte met lachen.
“Dan doet dat pijn.”
“Zie je wel.”
“Ja.”
“Dus mijn systeem werkt.”
“Perfect zelfs.”
“Dank je.”
“Alleen…”
“Wat?”
“Je houdt er niet alleen de mensen mee buiten die weggaan.”
Hij wees naar de zetel.
“Ook degenen die misschien zouden blijven.”
Eenzaamheid keek naar de lege plek. Naar Verdriet. En toen naar de mandarijn die nog altijd onaangeroerd naast haar lag. Ze ging weer zitten. Niet helemaal aan het uiteinde deze keer. Gewoon naast hem. Ze begon de mandarijn te pellen.
“Zeg hier vooral niks over.”
“Waarover?”
“Dit.”
“Wat is dit?”
Eenzaamheid brak een billetje van de mandarijn af en gaf het hem.
Verdriet nam het aan.
“Precies,” zei hij.
En zo zaten ze daar.
Twee gevoelens met een beroerde reputatie.
De ene die het verlangen naar verbinding bewaakte alsof niemand het ooit mocht vinden.
De andere met de sporen van alles wat belangrijk genoeg was geweest om pijn te doen.
Geen van beiden wist goed wat ze met liefde aan moesten.
Maar ze wisten verdomd goed waar ze zat.
En soms, als niemand hen meteen probeerde weg te krijgen, wezen ze gewoon de weg.
Reactie plaatsen
Reacties