Het Archief van de Steen

Gepubliceerd op 12 februari 2026 om 10:05

Daar ligt hij weer. De berg die ik bij naam ken, maar waarvan de contouren vandaag vreemd aanvoelen. De herfst is hier vroeger ingevallen dan in het dal. Het pad is bedekt met een dik tapijt van nat mos dat mijn voetstappen dempt, alsof de wereld zelf me vraagt om stiller te worden, om de arrogantie van mijn tempo te laten varen. Een koude wind snijdt langs mijn wangen.


Ik herinner me de eerste keer dat ik hier stond. Het was een ander seizoen, één waarin de bomen leken te branden van woede. Destijds waren de flanken van deze klim van glas en zwart graniet. Elke stap was een verwonding, een glijpartij over losliggend puin waarbij ik naar de hemel schreeuwde om de architect van deze hindernis te vervloeken. Ik zocht een schuldige voor de steilheid van de weg. Ik dacht dat de berg mij dit aandeed, dat de pijn een onrecht was dat van buitenaf over mij heen was gestort als een lawine. Ik zocht naar een hand van een ander om mij omhoog te trekken, naar een stem die zou zeggen dat de berg er niet had mogen zijn.

 

Later kwam de tijd van de mist. Ik liep deze tocht toen in een grijs vacuüm, waarbij ik alleen mijn eigen knieën zag buigen en strekken. De natuur was toen afwezig; er was alleen de mechaniek van het lijden. Ik zag de berg niet, ik voelde alleen zijn gewicht. Ik liep met mijn kin op mijn borst, blind voor de korstmossen die op de rotsen bloeiden, doof voor het suizen van de dennen in de diepte. Het was een eenzame strijd tegen een onzichtbare vijand.

 

Vandaag is het anders. Het grind knarst onder mijn zolen met een vertrouwd, bijna meditatief ritme. Mijn ademhaling wordt hoorbaar, een traag en eerlijk gesprek tussen mijn longen en de ijle lucht. Ik gooi mijn jas open; de hitte van de inspanning is van mij alleen, een innerlijk vuur dat de kille wind neutraliseert. Ik zie nu details die me eerder ontgingen: de manier waarop een berk zich aan een rotsspleet vastklampt, de zilveren draden van bevroren spinnenweb in de dauw. De berg is niet langer een vijand of een obstakel, hij is enkel een getuige.

 

De rood-witte streepjes op de rotsen, de markeringen waarmee een lange afstandsroute wordt gemarkeerd, wijzen me de weg die ik al honderd keer liep. En toch is dit een eerste keer. De pijn is er nog steeds - een drukkend hittegevoel in mijn borst dat me de adem in mijn keel afsnijdt - maar ze is niet langer een vijand die van buitenaf aanvalt. Ze is een gewicht dat ik zelf draag, een rugzak die bij mijn lichaam is gaan horen. Ik erken de zwaarte, en in die erkenning ligt een vreemde vorm van vrijheid. Ik hoef de schuld niet meer bij de ander neer te leggen, het gaat niet om de bron van het verdriet. De bron is inmiddels een rivier geworden die diep beneden in het dal stroomt, onbereikbaar en onbelangrijk voor de klimmer die ik nu ben.

 

Bovenop de top lost de illusie van de eenzame piek op in de wijdsheid van de hemel. Deze berg, die vanaf de voet mijn hele horizon opeiste en de zon leek te doven, blijkt slechts een rimpeling in een oneindig weefsel. Hij staat daar niet alleen; hij is deel van een massief, een keten van toppen en dalen die samen mijn landschap vormen. Het verdriet is geen losstaand incident meer, geen monster dat de weg blokkeert, maar een van de vele pieken die mijn horizon definiëren.

 

Ik buk me en zoek tussen het puin naar een steen. Mijn vingers sluiten zich om een brok kalksteen, koud en ruw. Dit is de ballast die ik mee naar boven heb gedragen, de fysieke vorm van de verantwoordelijkheid die ik eindelijk heb geaccepteerd. Ik leg de steen op de top, bovenop een kleine stapel die door andere reizigers is achtergelaten. Het is een klein gebaar, een offer aan de stilte.

 

Terwijl ik daar sta, lijkt de berg zelf te spreken, niet in woorden, maar in de onverzettelijkheid van het gesteente. ‘Ik ben niet veranderd,’ fluistert de helling in het ruisen van de wind. ‘Ik was nooit hoger of steiler dan je aankon. Ik was er alleen maar om beklommen te worden. Je zocht erkenning bij de horizon, maar je vond haar in je eigen voeten.’

 

De afdaling is een ander soort gesprek met de aarde onder mijn voeten. Waar de weg omhoog een gevecht was tegen de zwaartekracht, is de weg terug een overgave. Mijn knieën vangen de schokken op van een verleden dat ik zojuist op de top heb achtergelaten. Stap voor stap daal ik af in de dichtere lucht van het dal, waar de geluiden van de wereld – het verre geruis van een dorp, de roep van een vogel – weer bezit van me nemen.

 

Ik kijk niet meer achterom. De berg is achter mijn rug weer een abstractie geworden, een rimpeling in het gesteente van de tijd. De koude wind die boven nog sneed, voelt hier beneden slechts als een koele hand op mijn voorhoofd. Het pad dat ik op de weg omhoog niet herkende, spreekt me nu aan in een taal die ik eindelijk beheers. De rood-witte streepjes zijn geen dwingende bevelen meer, maar stille getuigen van een route die ik niet langer hoef te vrezen.

 

Beneden wacht de wereld die niets weet van de verschuiving in mijn innerlijk landschap, de wereld die nog steeds vraagt om verklaringen en schuldigen. Maar ik draag het zwijgen van de berg met me mee als een onzichtbaar schild.

 

Ik ben niet meer de reiziger die erkenning zocht voor zijn wonden; ik ben de archivaris geworden van mijn eigen pijn. In de grote verzameling van de tijd is het verhaal van mijn verdriet nu een boek, een steen die rust op de top van een berg, toegevoegd aan het eindeloze archief van alles wat is geweest en mag blijven liggen.

 

Reactie plaatsen

Reacties

anoniem
6 dagen geleden

WAAAAUW. Ik heb geen woorden voor jouw woorden. Alleen een diep respect.